Oud-medewerker J. M. Kemner.
Oud-medewerker Kemner kent men nog als Signorgo
11
Na vijfjaren werd de heer Kemner
- als eerste - filialeninspecteur van
Gall Gall in Amsterdam. Maar dat
beviel niet. Niet vanwege het soort
werk, maar ook vanwege heimwee.
Echte Rotterdammers in Amsterdam
dat gaat nu eenmaal niet.
nieuw contract opgemaakt en dat
betekende dat we samen 21,- in de
week kregen, met vrij wonen boven de
winkel en vrij stoken. We werkten van
’s ochtends half acht tot ’s avonds
acht uur en ’s zaterdags tot tien uur.
Alleen ’s zondags hadden we vrij. Ook
op dagen als 2e Paasdag waren we
open. In het begin hadden we om de
beurt een week vakantie, maar later
konden we samen veertien dagen
vakantie nemen, dan kwamen anderen
op de zaak passen. Wat mijn werk
betreft, ik hield ervan om in de winkel
te staan en de mensen te helpen.
Maar het was wel flink aanpakken, ik
heb wel etalages gemaakt tot ’s nachts
twee uur! Je moet niet vergeten dat ik
ook nog 5 kinderen had. Ik naaide en
breide alle kleren zelf en zorgde elke
dag voor het eten. Je hebt zo’n leeftijd
dat je alles kan, dat zie ik nu ook bij
mijn kinderen. Die hebben het ook
druk. Anders druk dan ik vroeger,
maar toch druk.
Het was voor mij geen gemakkelijk
werk, veel sjouwen met kisten, want
mijn man had geen sterke gezondheid.
Daarvan heb ik nu last van mijn rug,
maar ach, die verhalen doen niets
terzake Beneden in dat kleine
Mevrouw Claessen vertelt nog veel
meer verhalen, ook wel met minder
prettige ervaringen, maar zoals we in
het begin al schreven, zij is toch
tevreden en kan terugkijken op een
fijn huwelijk. ’We hadden het altijd
goed samen. Vooral de laatste twee
jaren van mijn man zijn leven. Dat
was van 1972 tot 1974. We zijn toen
nog naar mijn broer in Zuid-Afrika
geweest! Rob Vlasman zei een paar
jaar geleden tegen mij: ”Uw man is
een gelukkig mens geweest”. En dat is
ook zo. Hij was gek op de kinderen,
zijn gezin, zijn werk en het liep
allemaal goed.’
Het was een erg goede zaak. Er was
een gezegde in Rotterdam: als Jan van
Breda (nu aan de Lijnbaan) het niet
heeft en Signorgo niet, dan is het niet
te krijgen!
Er was in het begin alleen een
loopjongen met een fiets, maar later
heb ik mijn eerste auto gekregen. Een
’bestel-eend’. Toen die kwam wist ik
niet wat ik zag. Bovenop het dak een
bord met Landwijn voor zoveel
gulden. Op het deurtje aan de ene
De heer Kemner komt later nog even
terug op de loopjongen met de fiets.
’We hadden destijds mevrouw
Brenninkmeijer tot klant. Zij woonde
in een mooi huis aan de
Eendrachtsweg, met marmeren
trappen. Op een keer kwam de jongen
terug met de fiets en ik vroeg: en,
alles goed?
Nou, ze had het haast, hoor. Hè? Ja,
ik was haast boven, toen viel ik en al
die flessen lagen beneden
Tk werkte bij Hellebrekers op de
Bergweg. Op een maandagmiddag
kwam een grote heer binnen, die mij
vroeg: wil je bij mij komen werken?
Wat zijn de mogelijkheden, vroeg ik.
En zo kwam ik in 1952 in een zaak
aan de Witte de Withstraat met de
mooie naam Signorgo. Tussen twee
haakjes, de grote heer was de heer
A. J. J. Vlasman.
Mevrouw Kemner werkte ook in de
zaak, zoals dat te doen gebruikelijk
was. Zij vertelt:
’Het was wel een erg bewerkelijke
toestand daar. Een keukentje achter
de winkel, daarboven de woon- en
slaapkamer en dan nog twee
verdiepingen hoger de slaapkamers
van de kinderen. Het was hard
werken. Als het slecht weer was, met
sneeuw en modder, dan had je pas
laat ’s avonds de winkel schoon.
Meestal hadden we pas op eerste
Kerstdag de tijd om de boom te
versieren.’
De heerJ. M. Kemner is een echte Rotterdammer, die met zijn 74 jaar nog
regelmatig naar ’zijn’ winkel aan de Witte de Withstraatgaat om z’n borreltje te
kopen. Hij wordt daar nog steeds door oude klanten begroet met: ah, meneer
Signorgo!
Hoe zit dat. Wie is meneer Kemner alias Signorgo en welke zijn zijn
herinneringen aan Gall Gall?
Hij vertelde het ons toen wij hem en zijn vrouw een bezoek brachten in hun
jlat aan de Gijsinglaan in Rotterdam.
kant Old Smuggler. Aan de andere
kant ook een bepaald merk, evenals
op de deurtjes aan de achterkant. De
heer Vlasman belde me op en zei: hoe
vind je hem? Ik zeg: U hebt wat
vergeten! Wat?! Ja, op de voorruit
staat niks
Het was zó erg, dat een pastorie die
ik tot klant had, aan mij vroeg die
auto liever niet voor de deur te zetten,
als ik drank kwam brengen. ’’Anders
denken de mensen dat we een slijterij
zijn
Toch werkte die reclame wel, want ik
gaf de chauffeur altijd een paar dozen
landwijn mee, die hij onderweg
gemakkelijk verkocht Ja, de oude
heer Vlasman had wel een goede neus
voor verkoop, trouwens ook voor het
vestigen van winkels. Als hij het met
een eventuele vestiging niet eens was,
dan zei hij: ’’niet doen, het tocht me
hier teveel”.’
keldertje, met een akelige trap, deed je
van alles: spoelen, bottelen,
etiketteren enz. Van dat wijn bottelen
is de zaak trouwens groot geworden.
In de oorlog kregen we een bepaalde
kleine hoeveelheid drank toegewezen,
die we onder onze klanten moesten
verdelen. We hadden, meen ik, 3.000
klanten. Dat kon natuurlijk nooit. Dan
ruilden we een kruik jenever tegen
twaalf kistjes Phoenix bier en dan
konden we een heleboel mensen een
plezier doen. Als je uitverkocht was,
ging je dicht